DWALINGEN VAN
ONZE TIJD: EVOLUTIETHEORIE
Hoewel de evolutietheorie een leer is, die sinds de vroege Griekse Oudheid bestaat, werd (het eerst) de evolutietheorie voor het eerst in de 19de eeuw geformuleerd. De belangrijkste ontwikkeling, (dat van) welke voor de theorie een belangrijk onderwerp vormde voor de wetenschappelijke wereld, was het boek van Charles Darwin getiteld "De oorsprong van soorten" (The origin of species), dat in 1859 was gepubliceerd. In dit boek ontkende Darwin dat levende soorten op aarde afzonderlijk door God zijn gecreëerd. Volgens Darwin stammen alle levende wezens van een gemeenschappelijke voorouder af, en door kleine veranderingen is er onderscheid gekomen tussen levende wezens in de loop der tijd.
Darwin’s theorie was niet gebaseerd op concrete wetenschappelijke bevindingen; (zoals hij ook accepteerde,) het was alleen maar een "veronderstelling". Toen Darwin hieraan toegaf in het lange hoofdstuk "difficulties of the theory" van zijn boek, was de theorie problematisch en falend voor kritische vragen. Darwin vestigde zijn hoop in nieuwe wetenschappelijke ontdekkingen, die zijn "difficulties of the theory" zouden moeten oplossen. Maar het tegendeel werd werkelijkheid, naarmate er meer nieuwe ontdekkingen werden gedaan, hield zijn theorie steeds minder (in) stand en vergrootte de dimensie van de problemen van de theorie.
De nederlaag van het Darwinisme tegenover de wetenschap kan samengevat
worden in drie fundamentele punten:
1) De theorie kan niet verklaren hoe het leven op aarde voor het eerst
is begonnen.
2) Er zijn geen wetenschappelijke ontdekkingen, die zouden bevestigen,
dat de zgn. "evolutionaire mechanismen", waarover de theorie spreekt,
een werkelijke evolutionaire werking hebben.
3) De fossielen bewijzen het tegendeel van de suggesties van de evolutietheorie.
In het volgende deel zullen we deze drie thema's onderzoeken.
De eerste onoverwinnelijke trap: de oorsprong van het
leven
De evolutietheorie beweert dat alle levende soorten van één levende cel afstammen, die ongeveer 3.8 miljard jaar geleden op de primitieve aarde is ontstaan. Hoe één cel miljoenen gecompliceerde levenssoorten geschapen moet hebben en waarom hiervan geen sporen zijn gevonden (kan worden) in fossielen, zijn enkele vragen die de theorie niet kan beantwoorden. Maar als eerste moet de eerste trap van de zgn. evolutie onderzocht worden: hoe is deze "eerste cel" ontstaan?
Aangezien de evolutietheorie de Schepping ontkent en geen interventie van een bovennatuurlijke kracht erkent, beweert hij dat de "oercel" zonder een constructie, een plan en een orde in het kader van de natuurwet toevalligerwijze is ontstaan. Dat wil zeggen dat (de) levenloze materie door toeval een levende cel heeft voortgebracht. Maar toch is dit een bewering, die zelfs de meest fundamentele wetten van de biologie tegenspreken.
Alleen leven brengt leven voort
In zijn boek heeft Darwin nooit gerefereerd aan de oorsprong van het leven. In zijn tijd was men van mening, dat het leven vrij eenvoudig gestructureerd was. In de Middeleeuwen had men het denkbeeld, dat leven op een eenvoudige manier uit dode materie ontstaan kon. Men geloofde dat muizen uit rijst en insecten uit voedselresten ontstonden. Om dit te bewijzen werden interessante experimenten uitgevoerd. Er werden rijstkorrels op een vies stukje kleding gelegd, en men geloofde dat na een tijdje hierdoor muizen zouden ontstaan.
Ook het ontstaan van wormen uit vlees gold als bewijs dat leven uit levenloze materie kon ontstaan. Later stelde men vast dat de wormen niet zelf ontstonden uit het vlees, maar dat ze ontstonden uit eieren (in de vorm van larven) die door vliegen werden gelegd, maar niet met het blote oog konden worden waargenomen.
Zelfs in de periode toen Darwin’s "The Origin of Life" werd gepubliceerd, was het feit dat bacteriën uit niet levende materie konden ontstaan in sterke mate geaccepteerd in de wetenschap.
Maar vijf jaar nadat Darwin’s boek was gepubliceerd, had de beroemde Franse bioloog Louis Pasteur bewezen dat dit valse denkbeeld van de evolutie niet klopte. Pasteur vatte de conclusie van zijn jarenlange en tijdrovende studies en experimenten als volgt samen: "De stelling dat leven uit levenloze materie kan ontstaan, behoort onherroepelijk in het rijk der fabels. 44
De aanhangers van de evolutietheorie boden lange tijd weerstand tegen
de bevindingen van Pasteur. Maar later, toen de in ontwikkeling zijnde wetenschap de gecompliceerde celstructuur van een levend wezen ontrafelde, werd de ongeldigheid van de bewering dat leven zelfstandig kon ontstaan, duidelijk.
Inspanningen zonder succes in de 20ste eeuw
De eerste evolutionist die in de 20ste eeuw het thema over de oorsprong van het leven behandelde, was de bekende Russische bioloog Alexander(?) Oparin. Hij probeerde met enkele stellingen, die hij in 1930 had bedacht, te bewijzen dat de cel van een levend wezen toevallig is ontstaan. Maar zijn werken waren gedoemd (om) te mislukken en Oparin was genoodzaakt de volgende bekentenis af te leggen:" Helaas, de oorsprong van een cel blijft een onbeantwoorde vraag, die eigenlijk het donkerste punt in de gehele evolutietheorie is."45
 |
De evolutionisten die Oparin volgden, probeerden experimenten uit te
voeren, waarmee het thema over de oorsprong van het leven opgelost kon
worden. De meest bekende van deze experimenten was in 1953 uitgevoerd
door de Amerikaanse alchemist Stanley Miller. Miller synthetiseerde enige
organische moleculen, die in de structuren van de protene gebruikt
werd, door de gassen, die in de oorspronkelijke atmosfeer van de aarde
hebben bestaan, in een experiment te verenigen en door energie toe te
voegen aan de mix.
Een paar jaar later zou duidelijk worden, dat deze
experimenten, die in die jaren als een belangrijke stap in de naam van
de wetenschap werden gezien, geen geldigheid zou bezitten en dat de atmosfeer
waarin het experiment plaatsvond, zeer verschilde van de echte condities
van de aarde.46
Na een lange tijd van zwijgen had ook Miller toegegeven
dat de atmosfeer, die in het experiment werd gebruikt, niet realistisch
was.47
Alle evolutionaire inspanningen die in de 20ste eeuw uitgevoerd werden om het vraagstuk over de oorsprong van het leven te verklaren, eindigden altijd zonder succes. De geochemist Jeffrey Bada van het San Diego Institute accepteerde dit feit in een artikel dat in de Earth Magazine in 1998 was gepubliceerd:
Tegenwoordig, aan het einde van de 20ste eeuw staan we nog steeds tegenover
het onbeantwoorde vraagstuk toen we de 20ste eeuw ingingen: hoe begon
het leven op Aarde?48
De complexe structuur van het leven
De voornaamste reden waarom de evolutietheorie zich bij de oorsprong van het leven in een doodlopende straat bevindt, is dat reeds de eenvoudigste levende organismen ongelooflijk gecompliceerde structuren bevatten. De cel van een levend wezen is nog complexer dan alle technologische producten, die de mensheid heeft voortgebracht. Ook tegenwoordig kan zelfs in de meest geavanceerde laboratoria in de wereld geen levende cel geproduceerd worden door het samenvoegen van alle niet-organische materialen.
De condities die voor de vorming van een cel nodig zijn, zijn zo veel
in kwantiteit, dat het ontstaan ervan niet kan worden verklaard met toeval.
De waarschijnlijkheid dat protenen, de bouwstenen van een cel, toevallig
worden gesynthetiseerd (iets produceren door verschillende dingen te combineren)
is 1 tot 10950 voor een gemiddelde protene die bestaat uit 500 aminozuren.
In de wiskunde gelden waarschijnlijkheden die kleiner zijn dan 1 tot 1050
als onmogelijk.
De DNA molecule, die in de celkern van 100 triljoen cellen in ons lichaam verborgen ligt en de genetische data bewaart, is een ongelooflijk grote databank. Als we de informatie die in het DNA staat gecodeerd, op willen schrijven, dan zou dit gelijk staan aan een grote bibliotheek die 900 encyclopedieën heeft, die elk uit 500 bladzijden bestaan.
Een interessant vraagstuk dat vanuit dit punt ontstaat, is dat het DNA alleen met de hulp van sommige proteïnen (enzymen) reproduceren kan. Maar de synthese van deze enzymen kan alleen gerealiseerd worden door de informatie die gecodeerd staat in het DNA. Aangezien ze beiden op elkaar aangewezen zijn, moeten ze op dezelfde tijd bestaan voor de reproductie. Daardoor loopt het scenario, dat leven zelfstandig is ontstaan, in een doodlopende straat. Professor Leslie Orgel, een evolutionair van de Universiteit van San Diego, California, geeft dit feit toe in het magazine Scientific American in de uitgave van september 1994:
Het is zeer onwaarschijnlijk dat eiwitten en nucleine zuren (dna en rna),
die beiden structureel complex zijn, spontaan ontstaan op dezelfde plaats
en dezelfde tijd. En toch schijnt het onmogelijk dat de ene zonder de
andere beschikbaar kan zijn. En daarmee kan men op het eerste gezicht
gedwongen zijn te concluderen, dat leven nooit door chemische middelen
kan zijn ontstaan.49
Als het onmogelijk is dat leven door samenwerking van "natuurlijke" invloeden
is ontstaan, dan moet men zonder twijfel erkennen dat het leven in een
"bovennatuurlijke" wijze in geschapen. Dit feit verklaart de evolutietheorie
voor nietig, wiens voornaamste doel de ontkenning van de schepping is.
Het verzonnen mechanisme van de evolutie
De tweede belangrijke punt dat de theorie van Darwin als ongeldig verklaart,
is dat de twee als "evolutionair mechanisme" aangeduide begrippen, eigenlijk
geen evolutionaire kracht hebben.
Darwin baseerde zijn evolutietheorie volkomen op het mechanisme van "natuurlijke
selectie." De belangrijkheid die hij aan dit mechanisme gaf, was duidelijk
in de titel van zijn boek: de Oorsprong van Soorten, door natuurlijke
selectie…
Natuurlijke selectie betekent dat levende wezens die sterker en meer geadapteerd aan de natuurlijke condities van hun leefomgeving zijn, zullen overleven in de strijd om leven. Bijvoorbeeld in een kudde herten, die onder aanval staan van wilde beesten, overleven degenen die sneller kunnen rennen. Dit klopt. Dit proces zal echter nooit - onafhankelijk van hoe lang het duurt- de herten in een andere levende soort veranderen. Herten zullen altijd herten blijven.
Daarom heeft het mechanisme van natuurlijke selectie
geen evolutionaire kracht. Darwin was zich ook van dit feit bewust en
zei het volgende hierover in zijn boek:
Natuurlijke selectie kan niets doen zolang er zich geen gunstige veranderingen
voordoen.50
Lamarck's impact
Hoe kunnen deze "nuttige veranderingen" ontstaan? Darwin probeerde deze vraag met de toenmalige overheersende wetenschapsmentaliteit te beantwoorden, door zich te baseren op de Franse bioloog Lamarck. Volgens Lamarck, die voor Darwin leefde, gaven levende wezens karaktertrekken door, die ze zich gedurende hun levens hadden toegeëigend, door ze van de ene generatie aan de andere generatie door te geven en ontwikkelden zich op deze manier voort. Giraffen bijvoorbeeld werden uit antilopen ontwikkeld; doordat ze probeerden de bladeren van hoge bomen te bereiken en op te eten, strekten ze hun nek uit, en zo werd hun nek generatie na generatie langer.
Darwin gaf soortgelijke voorbeelden in zijn boek, zo zei hij bijvoorbeeld dat beren die in het water gingen om voedsel te zoeken, zich in de loop der (de) tijd (zich) transformeerden tot haaien.51 De wetenschap van de 20ste eeuw heeft getoond dat dit scenario een fantasie is.
De erfelijkheidsleer van de Oostenrijkse Gregor Mendel, die tevens ook is geverifieerd door de genetische wetenschap van de 20ste eeuw, heeft de beweringen van Lamarck en Darwin, dat geworven bekwaamheden (karaktertrekken) steeds werden doorgegeven aan de volgende generaties, volkomen tegengesproken. Op deze manier blijft de natuurlijke selectie volledig "geïsoleerd" en als een onwerkzaam mechanisme in de ruimte staan.
Neodarwinisme en Mutaties
De darwinisten hebben aan het einde van de jaren ‘30 de "moderne synthetische evolutietheorie" ontwikkeld, met andere woorden het "neodarwinisme", om dit probleem op te lossen. Het neodarwinisme voegde naast de natuurlijke selectie, de mutaties toe als "reden van de nuttige veranderingen". Daarmee wordt bedoeld de vervormingen die in genetisch materiaal van de levende wezens door externe factoren, zoals radioactieve bestralingen, ontstaan.
Het tegenwoordig nog actuele model is het neodarwinisme. Deze theorie houdt in, dat miljoenen soorten van levende wezens op aarde en hun talloze gecompliceerde organen zoals het oor, het oog, de longen en de vleugels (die) als resultaat van een proces zijn ontstaan, zogenaamde mutaties, dus genetische misvormingen hebben ondergaan. Echter zijn er wetenschappelijk bewezen feiten, die deze theorie volledig ondermijnen: mutaties dragen niet bij aan de ontwikkeling van levende wezens, in tegendeel ze beschadigen altijd het levende wezen.
De reden hiervoor is heel simpel: het DNA heeft een zeer complexe structuur en planloze invloeden kunnen deze structuur alleen maar schade toebrengen. De Amerikaanse genetica deskundige B.G. Ranganathan verklaart dit als volgt:
Mutaties zijn klein, ongepland, en schadelijk. Ze treden zelden op en de beste mogelijkheid is dat ze zonder effect blijven. Deze vier eigenschappen van mutaties wijzen erop dat mutaties niet tot evolutionaire ontwikkelingen kunnen lijden. Een planloze verandering in een hoog gespecialiseerd organisme is of zonder effect of schadelijk. Een planloze verandering in een klok kan de klok niet verbeteren. Het zal het waarschijnlijk beschadigen of in het gunstigste geval onwerkzaam maken. Een aardbeving brengt geen verbeteringen aan in de stad, hij brengt vernietiging.52
Zoals te verwachten is er geen voorbeeld van een mutatie, die bruikbaar is, d.w.z. bij welke waargenomen is dat er een genetische code wordt ontwikkeld. Alle mutaties hebben bewezen schadelijk te zijn. Zoals men begrepen had is een mutatie, die de evolutietheorie als "evolutie mechanisme" presenteert, eigenlijk een genetisch verschijnsel dat levende wezens schade toebrengt. (Het meest bekende effect van een mutatie op mensen is kanker). Er is geen twijfel dat een destructief mechanisme geen "evolutionair mechanisme" kan zijn. Natuurlijke selectie aan de andere kant, "kan niets zelf voortbrengen", wat ook Darwin had toegegeven. Aangezien er geen evolutionair mechanisme bestaat, kan er ook geen utopisch proces zoals de evolutie hebben plaatsgevonden.
De fossielen spreken de evolutie tegen
De duidelijkste bewijzen, dat het scenario van de evolutietheorie niet
heeft plaatsgevonden, zijn de fossielen.
Volgens de evolutietheorie stamt elk levend wezen van een voorganger af. Een vooraf bestaande soort is in de loop der tijd in iets anders veranderd, en alle soorten zijn op deze wijze ontstaan. Volgens deze theorie gebeurt deze transformatie geleidelijk (voort) verspreid over miljoenen jaren.
Als dit het geval zou zijn geweest dan zouden er verscheidene tussenvormen bestaan en geleefd moeten hebben in deze lange transformatie periode. Zo moesten er vroeger bijvoorbeeld half-vis-half-reptiel wezens hebben bestaan (moeten hebben), die zich enige reptieleigen kenmerken hadden toegeëigend, naast de viskenmerken die ze al hadden. Of er zouden reptielvogels bestaan moeten hebben, die zich enige vogelkenmerken hadden toegeëigend, naast de reptielkenmerken die ze al hadden. Evolutionisten noemen deze fantasieschepselen, waarin ze geloven dat ze in het verleden bestaan hebben, "overgangsvormen."
Als er inderdaad zulke dieren hebben bestaan (hebben), dan zouden er miljoenen, en zelfs biljoenen in aantal en soort moeten zijn geweest. Wat belangrijker is, is dat de resten van zulke rare schepselen in de fossielen terug te vinden zouden moeten zijn. In zijn boek verklaarde Darwin:
Als mijn theorie klopt, dan zouden er talloze overgangsvormen bestaan
moeten hebben, waarvan alle soorten van dezelfde groep nauw met elkaar
verbonden. En dus bewijs van hun vroegere bestaan zouden alleen in fossielen
te vinden kunnen zijn.53
De vergeefse hoop van Darwin
Hoewel evolutionisten in het midden van de 19de eeuw met veel zorg
vele pogingen hebben gedaan om fossielen te vinden in heel de wereld,
zijn er geen tussenvormen ontdekt. Alle opgegraven fossielen lieten zien
dat, in tegenstelling met de verwachtingen van de evolutionisten, dat
het leven plotseling en volledig ontwikkeld op aarde verscheen.
Een bekende Britse paleontoloog, Derek V. Ager, bekent dit feit, hoewel hij een evolutionist is:
Als we de fossielen detaillistisch onderzoeken, op grond van orde of soort, vinden we (-) steeds opnieuw(-) geen geleidelijke evolutie, maar een plotselinge explosie van een groep ten koste van een andere.54
Dit betekent dat in de fossielen, alle levende soorten
plotseling opkomen in een volledig ontwikkelde vorm, zonder enige tussenvormen.
Dit is helemaal tegenstellend aan Darwin's verwachtingen. Daarnaast is
het ook een sterk bewijs dat levende wezens zijn geschapen. De enige verklaring
dat een levende soort plotseling ontstaat en in complete vorm is zonder
een evolutionaire voorvader, kan zijn dat deze soort is geschapen. De
wereldberoemde evolutionistische bioloog Douglas Futuyma zegt dit ook:
Organismen kunnen alleen volledig ontwikkeld op aarde zijn verschenen. Indien ze dat niet deden moeten ze zich uit een vroegere soort door een veranderingsproces ontwikkeld hebben. Als ze in een volledig ontwikkelde vorm verschenen zijn, dan moeten ze door een almachtige intelligentie geschapen (moeten) zijn.55
Fossielen laten zien dat levende wezens volledig ontwikkeld en in goede staat op aarde zijn ontstaan. Dit betekent dat de "oorsprong van soorten", in tegenstelling tot de mening van Darwin, geen evolutie maar schepping betekent.
Het verhaal van de menselijke evolutie
Het onderwerp dat het meest ter sprake wordt gebracht door de aanhangers van de evolutietheorie is de oorsprong van de mens. Het darwinistische postulaat zegt dat de huidige mens is geëvolueerd uit (sommige) aapachtige wezens. In loop van dit zogenaamde evolutionaire proces, dat 4-5 miljoen jaar geleden begonnen zou moeten zijn, wordt er geclaimd dat er enige "tussenvormen" bestaan moeten hebben tussen de moderne mens en zijn voorvaders. Volgens dit volkomen denkbeeldige scenario, zijn er vier categorieën te onderscheiden:
1.Austalopithecus
2.Homo habilis
3.Homo erectus
4. Homo sapiens
Evolutionisten noemen de zogenaamde eerste aapachtige
voorouders van mensen "Australopithecus", wat "Zuid Afrikaanse aap" betekent.
Deze levende wezens zijn eigenlijk niets anders dan oude aapsoorten die
zijn uitgestorven. Uitvoerig onderzoek op Australopithecus exemplaren
door twee wereldberoemde anatomen uit Engeland en de Verenigde Staten,
nl. Lord Solly Zuckerman en Prof. Charles Oxnard, hebben laten zien dat
deze exemplaren aan ordinaire aapsoorten behoorden die zijn uitgestorven
en geen overeenkomst met de mensen hebben.56
Evolutionisten classificeren de volgende trap van de
menselijke evolutie als "homo,"dat betekent "man". Volgens de evolutionisten
zijn de levende wezens uit de homo-serie hoger ontwikkeld dan de Australopithecus.
De evolutionisten beelden een denkbeeldige evolutieschema uit, door de
fossielen die tot verschillende levende wezens behoren, op een bepaalde
orde te arrangeren. Dit schema is denkbeeldig omdat het nooit is bewezen
dat er een evolutionaire relatie is tussen deze verschillende klassen.
Ernst Mayr, een van de belangrijkste aanhangers van de evolutietheorie
in de 20ste eeuw, bekent dit feit door te zeggen dat "de keten tot aan
Homo Sapiens ontbreekt."57
Door de evolutieketen te verdelen in Australopithecus>Homo
Habilis>Homo erectus>Homo sapiens, beweren de evolutionisten dat elk van
deze soort elkaars voorvader is. Maar recente ontdekkingen van paleo-antropologen
hebben aangetoond dat Australopithecus, Homo habilis en Homo erectus op
verschillende plaatsen in de wereld leefden in dezelfde tijd.58
Bovendien heeft een bepaald deel van de als Homo erectus geclassificeerde mens tot aan de moderne tijden geleefd. De Homo sapiens neandarthalensis en de Homo sapiens (moderne mens) hebben in dezelfde regio naast elkaar geleefd.59
Deze situatie laat duidelijk (de ongeldigheid) zien, (van de bewering) dat zij geen voorvaders van elkaar kunnen zijn. Een paleontoloog van de Harvard Universiteit, Stephen Jay Gould, verklaart deze luchtbel van de evolutie hoewel hij zelf een evolutionist is:
Wat is er met onze ladder gebeurd, als er drie naast elkaar levende stammen van mensachtigen (A.africanus, de robuuste australopithecines, en H.habilis) waren, die duidelijk niet van elkaar afstammen? Bovendien laat geen van deze drie enige evolutionaire trend zien tijdens hun verblijf op aarde.60
Kortom, het scenario van de menselijke evolutie, wiens voortbestaan in
de media of in de leerboeken met bedachte constructies van levende wezens,
"half aap, half mens", d.w.z. door propaganda gewaarborgd wordt, is niets
anders dan een fabel zonder wetenschappelijke fundamenten. Lord Solly
Zuckerman, een van de meest bekende en gerespecteerde wetenschappers in
Engeland, die vele jaren onderzoek verrichtte in dit onderwerp, en 15
jaar lang met name de Australopithecus fossielen bestudeerde, kwam op
het eind tot de conclusie, ondanks het feit dat hij zelf een evolutionist
is, dat er in feite geen stamboom is, waarin aapachtige levensvormen tot
aan mensen voorkomen.
 |
Zuckerman stelde ook een zeer interessant "wetenschaps-spectrum" op. Hij vormde een spectrum van wetenschappen, door deze te verdelen tussen degene die hij beschouwde als wetenschappelijk en niet wetenschappelijk. Volgens Zuckerman’s spectrum, zijn de meest "wetenschappelijke"-dat is afhankelijk van concrete gegevens- velden de chemie en natuurkunde. Hierna komen de biologische wetenschappen en daarna de sociale wetenschappen. Aan het verre einde van het spectrum, het deel dat beschouwd wordt als het "minst wetenschappelijke", staan "bovennatuurlijke waarnemingen"-concepten zoals telepathie en het zesde zintuig- en als laatste de "menselijke evolutie." Zuckerman verklaart zijn redenering:
We bewegen ons dan van het bestand van de objectieve
waarheid naar de velden van zogenaamde biologische wetenschappen, zoals
de bovennatuurlijke waarneming of de interpretatie van de geschiedenis
van de fossielen van de mens, waar alles mogelijk is(voor de evolutionist)-
en waar de diepgelovige (evolutionist) soms in staat is verschillende
tegenstrijdige dingen te geloven in dezelfde tijd.61
De fabel van de menselijke evolutie bestaat uit niets anders, dan de valse (en vooroordelige) interpretaties van de vele fossielen door sommige mensen, die blindelings in hun theorie geloven.
De technologie in het oog en het oor
Een ander onderwerp dat de evolutietheorie onbeantwoord laat is de perfecte
kwaliteit van het oog en het oor.
Alvorens we het thema oog behandelen, laten we eerst de vraag beantwoorden "hoe we zien." Lichtstralen die van een object komen, vallen in spiegelbeeld op de retina van het oog. Hier worden de lichtstralen door cellen overgezet in elektrische signalen en bereiken een klein punt in het achterste deel van de hersenen dat de optische schors genoemd wordt. Deze elektrische impulsen worden waargenomen in dit deel van de hersenen als een beeld na een serie van processen. Laten we met deze technische achtergrond eens even nadenken.
De hersenen zijn geïsoleerd van licht. Dit betekent dat er absolute donkerheid heerst in de hersenen, en licht niet de locatie kan bereiken waar de hersenen liggen. De optische schors is een plaats waar absolute duisternis heerst, waar geen licht kan bijkomen; het kan zelfs de donkerste plek zijn. En toch observeren we een heldere, glanzende wereld in deze pikzwarte duisternis.
Het beeld dat in het oog wordt gevormd is zo scherp en duidelijk, dat zelfs de technologie van de 20ste eeuw er niet in is geslaagd om dit te evenaren. Kijk maar bijvoorbeeld naar het boek dat je nu leest, je handen waarmee je het vasthoudt en kijk (is nu) eens om je heen. Heb je ooit op een andere plaats een soortgelijke scherp en duidelijk beeld gehad? Zelfs het meest ontwikkelde televisiescherm dat door de beste televisie producent van de wereld is geproduceerd, kan zo'n scherp beeld niet realiseren (voor jou verstrekken). Dit (beeld met het oog) is een driedimensionaal, gekleurd en extreem scherp beeld. Voor meer dan honderd jaar hebben duizenden ingenieurs geprobeerd om deze scherpte te bereiken. Fabrieken met grote arbeidsruimten, waar veel research, planning en ontwerpen worden gedaan, zijn er niet in geslaagd dit te evenaren. Kijk maar weer naar het televisiescherm en het boek dat je in je handen houdt. Je zult zien dat er een groot verschil is tussen scherpte en duidelijkheid. Het televisiescherm geeft een tweedimensionaal beeld, maar je ogen geven echter een driedimensionaal perspectief met werkelijke diepte (geeft).
Gedurende vele jaren hebben tienduizenden ingenieurs geprobeerd om een driedimensionale televisie te maken en geprobeerd om de beeldkwaliteit van het oog te bereiken. Ze hebben een driedimensionaal televisie systeem gemaakt, maar het is niet mogelijk om dit zonder een speciale bril te zien; het is dus een kunstmatig driedimensionaal beeld. De achtergrond is eerder wazig en de voorgrond verschijnt als een papieren sjabloon. Het is nog nooit mogelijk geweest een beeld te creëren dat zo scherp en duidelijk is als die van het oog. In zowel de camera en de televisie is er sprake van een verlies in beeldkwaliteit.
Evolutionisten beweren dat het mechanisme dat dit duidelijke en scherpe beeld produceert, op toevalsbasis is gevormd. Als iemand nu zou vertellen dat de televisie in jouw kamer op toevalsbasis is gevormd, dan zouden alle atomen bij elkaar zijn gekomen en dit apparaat gevormd hebben die dit beeld vormen, wat zou jij dan denken? Hoe krijgen de atomen dat voor elkaar en duizenden mensen niet?
Als een apparaat dat een primitiever beeld produceert dan het oog, (dat) niet op toevalsbasis gevormd kan worden, dan is het duidelijk dat het oog en het beeld dat door het oog wordt waargenomen niet op toevalsbasis gevormd kan worden.
Hetzelfde geldt voor het oor. Het buitenste oor pikt de beschikbare geluiden op en leidt ze naar het middelste oor; het middelste oor brengt de geluidsvibraties over door hen te intensiveren; het binnenste oor zendt deze vibraties naar de hersenen door ze te vertalen naar elektrische signalen. Net als met het oog (de) eindigt het hoorproces in het centrum van het gehoor in de hersenen.
De situatie in het oog is ook geldig voor het oor. (Dus) De hersenen zijn net zo geïsoleerd van geluid als het is van licht: het laat geen geluid binnen. Daarom is het binnenste van de hersenen compleet stil, hoe luidruchtig het ook buiten mag zijn. Toch neemt men de scherpste tonen in de hersenen waar. In je hersenen, die geïsoleerd zijn van geluid, luister je naar de symfonieën van een orkest, en hoort alle geluiden van een drukke plaats. Maar als de geluidshoeveelheid in je hersenen gemeten zou worden door (een) precieze meetapparatuur op dat moment, dan zou er geconcludeerd worden dat er daar complete stilte heerst.
Net zo als het geval van de beeldtechnologie, worden sinds tientallen jaren pogingen ondernomen om een geluid te creëren dat net zo'n hoge kwaliteit geeft als het origineel. Het resultaat van deze pogingen zijn geluidsrecorders, hifi systemen en geluidsgevoelige systemen. Ondanks al deze technologie en de inzet van alle duizenden ingenieurs die hieraan werkten, is er tot nu toe geen geluidsweergave gecreëerd die dezelfde scherpte en duidelijkheid heeft als de akoestische waarneming van het oor. Denk maar aan de beste kwaliteit hifi systemen die geproduceerd zijn door de grootste bedrijven in de muziekindustrie. Zelfs in deze apparatuur, wanneer geluid wordt opgenomen, wordt een gedeelte niet opgenomen; of wanneer je de hifi aanzet, hoor je een (stille) geruis voor de muziek begint. Maar de geluiden die de producten zijn van de technologie van het menselijk lichaam zijn extreem scherp en duidelijk. Een gezond menselijk oor neemt nooit geluiden waar, die worden vergezeld van ruis of atmosferische ruis zoals een hifi; hij neemt een geluid waar precies zoals het is, scherp en duidelijk. Dit is altijd zo geweest sinds de schepping van de mens.
Het is duidelijk dat het oog, het oor en alle andere delen van het menselijk lichaam de schepping van een hogere orde zijn. Dit zijn de duidelijke aanwijzingen van Gods unieke en onvergelijkbare schepping, Zijn tijdloze wetten en Zijn onbegrensde macht.
Een materialistisch geloof
De informatie die we tot nu toe hebben behandeld, laat ons zien dat de evolutietheorie een bewering is die tegenstrijdig is met de wetenschappelijke ontdekkingen. De bewering van de theorie over de oorsprong van het leven is volkomen tegenstrijdig met de wetenschap, de evolutionaire mechanismen die hij laat zien hebben geen evolutionaire kracht, en de fossielen laten zien dat de tussenvormen die volgens de theorie moeten hebben bestaan, nooit hebben bestaan. In dit geval moet de evolutietheorie als een onwetenschappelijke gedachte beschouwd worden. Net zoals men in het verleden vele valse gedachten, zoals het universummodel waarin de aarde het centrum van het universum vormde, wegnam uit de agenda van de wetenschap.
Maar de evolutietheorie wordt nog star verdedigd. Sommige mensen betitelen de kritiek die tegen de theorie is gericht als "aanval op de wetenschap." Waarom?
De reden hiervoor is dat de evolutietheorie voor sommige kringen een onmisbaar dogmatisch geloof is. Deze kringen hebben zich blindelings toegewijd aan materialistische filosofieën en het darwinisme geadopteerd omdat dit de enige materialistische verklaring is die kan worden toegeschreven (kan worden) aan de werken van de natuur. Interessant genoeg geven ze dit ook toe van tijd tot tijd. Een bekende genetica expert en evolutionist, Richard C. Lewontin van de Harvard Universiteit, geeft toe dat hij "op de eerste plaats een materialist en dan een wetenschapper" is met de volgende woorden:
Niet dat ons de methoden en instituties van de wetenschap enigszins dwingen, een materiële verklaring van de fenomenale wereld te accepteren, maar integendeel (wij) zijn wij in ons eigen (a) a-priori vasthouden aan de materialistische oorzaken gedwongen een onderzoeksmechanisme en keuze van concepten te scheppen, de materialistische verklaringen voort te brengen, ongeacht hoe intuïtievijandig, verwarrend ze voor de niet-ingewijden kunnen zijn.62
Deze woorden zijn de duidelijke verklaringen dat het darwinisme een dogma is. Dit dogma houdt in dat er buiten de materie niets bestaat. Op deze grond wordt geloofd dat onlevendige, onbewuste materie het leven heeft geschapen. Er wordt aangenomen dat miljoenen levende wezens zoals bijvoorbeeld vogels, vissen, giraffen, bomen, bloemen, walvissen en mensen zijn ontstaan als resultaat van de interacties tussen materie zoals regen en bliksem etc. vanuit dode materie. Dit is een stelling dat zowel het verstand als de wetenschap tegenspreekt. Maar darwinisten gaan door met deze bewering te verdedigen, en geven daarmee geen plaats (geven) aan het goddelijke.
Iedereen die de oorsprong van het leven niet met de materialistische
vooroordelen onderzoekt, zal deze waarheid vinden: alle levende wezens
zijn het werk van een Schepper, Wie almachtig is, alles weet en kent.
Deze schepper is God, die het hele universum vanuit het niets heeft geschapen,
op een perfecte manier heeft ontworpen en alle levende wezens heeft gevormd.
|